Toets "Enter" om naar de inhoud te gaan

Ruurlo, verstopte aardappels en eenheidsworst

In 2014 werd er, met name in het buitenland, stilgestaan bij het feit dat 100 jaar geleden de Eerste Wereldoorlog in al zijn hevigheid uitbarstte. Lezers van Onder d’n Kroezeboom maakten toen kennis met de jonge schoolleraar Jan Draad die werd opgeroepen voor militaire dienst. Hij spande uit onvrede met het besluit van de gemeente om hem te korten op zijn lerarensalaris, een rechtszaak aan tegen de gemeente Ruurlo. We zijn nu vier jaar verder, tijd om eens te kijken hoe de situatie in Ruurlo was in het vierde en laatste jaar van de Grote Oorlog.

Om de situatie in 1918 te begrijpen, moeten we terug naar 1917. In februari van dat jaar probeerde Duitsland de geallieerde zeeblokkade te doorbreken met een algehele duikbotenoorlog. Duitse duikboten schieten vanaf dan op alle schepen die zich in de wateren rondom Groot-Brittannië en Frankrijk begeven. Het doel was om Groot-Brittannië tot overgave te dwingen door de aanvoer van brandstof en oorlogsmateriaal af te sluiten. Nadat bekend werd dat de Duitse minister Zimmerman een telegram had gestuurd naar de ambassadeur van Mexico met daarin de belofte dat Duitsland Mexico zou steunen bij een aanval op de Verenigde Staten, was voor de Amerikanen maat vol.

Hoewel de Verenigde Staten in april 1917 gingen deelnemen aan de oorlog, was in de eerste maanden van 1918 het einde van de oorlog nog niet in zicht. De Amerikaanse deelname was wel een mentale oppepper voor de Britten en de Fransen die al jaren vast zaten in een zware loopgravenoorlog, maar de VS hadden op dat moment nog maar een klein landleger waarmee ze in eerste instantie niet het verschil konden maken. Er werd dus stevig doorgevochten en nadat in maart 1918 de vrede met Rusland was getekend, werden de Duitse troepen van het oostfront naar het westfront gebracht om nog eenmaal alles op alles te zetten.

Nederland was officieel nog steeds neutraal maar in het hele land, en dus ook in Ruurlo, werden de gevolgen van de oorlog gevoeld. Zo kwamen er soms krijgsgevangenen aan in het dorp. In januari 1918 werd er op het station van Ruurlo een Franse krijgsgevangene ontdekt in een kolenwagon afkomstig uit Zevenaar. Hij bleek te zijn ontsnapt uit Friedrichsfeld, een groot krijgsgevangenkamp zo’n 30 km ten zuiden van Bocholt. Zijn kameraad werd later in Haaksbergen van de trein geplukt.[1]

Na de oorlogsverklaring tegen Duitsland, hadden de Amerikanen de export van o.a. veevoer en graan naar Nederland stilgelegd. Hierdoor ontstonden er tekorten en in januari 1917 gingen verschillende levensmiddelen, zoals brood, op de bon. Ook aardappels, volksvoedsel nummer één, worden al snel twee keer zo duur. Er brak in Ruurlo geen Aardappeloproer uit maar ook hier was er een gaarkeuken om de mensen van een maaltijd te kunnen voorzien:

“’t Was gisterochtend wel een groote teleurstelling in de Centrale Keuken te Ruurlo, toen bleek dat de groentesoep, waarvan 2250 porties waren klaargemaakt, bedorven was. Ze was bepaald zuur, en daarom werd besloten, zoo spoedig mogelijk bekend te maken, dat er vandaag geen eten verkrijgbaar was. Houders van bons kregen hun geld aan de distributieplaatsen terug. De afnemers waren natuurlijk het meest gedupeerd, er is erg gemopperd, maar er was natuurlijk niets meer aan te veranderen. Wat de oorzaak is van het zuurworden der soep moet door een scheikundig onderzoek worden uitgemaakt. De soep was gistermiddag gedeeltelijk klaargemaakt, op dezelfde wijze als dat bij het leger én bij “Kindervoeding” gewoonlijk gebeurt.”

Dagblad Tubantia, 18-01-1918.

Maar tijden van schaarste voor de één zijn natuurlijk gouden tijden voor de zwarthandelaren die schaarse producten tegen woekerprijzen verkopen. Op de weekmarkt van Purmerend werden eieren voor 25 cent per stuk verkocht en boter voor fl. 8,- per kilo. Omgerekend naar de huidige tijd betekent dat € 1,70 per ei en € 55,- voor een kilo boter. Om deze zwarthandel tegen te gaan werd er streng gecontroleerd op smokkel en illegale voedselverkoop. De boetes logen er niet om: tegen een Ruurlose bakker die brood had verkocht zonder voedselbonnen werd een boete van 100 gulden (2017: € 817,-) of 50 dagen cel geëist.[2]

Veel boeren verbouwden daarom extra aardappels, niet alleen voor de zwarte markt maar ook voor de Duitse, waar de aardappels veel meer opbrachten. Folkert Posthuma, Minister van Landbouw, Nijverheid en Handel, constateerde dat het frauduleuze vervoer van aardappels te vaak voorkwam en hij liet daarom in april 1918 een circulaire verspreiden onder de burgemeesters waarin hij de regels nogmaals uitlegde.

“(…) Tevens schijnen verschillende gemeentebesturen de opvatting te huldigen, dat door hen de in hunne gemeenten opgeslagen aardappelen naar eigen goedvinden mogen worden gedistribueerd, terwijl daarbij in sommige gevallen geen rekening wordt gehouden met het doof mij vastgestelde rantsoen. Ik betreur dit ten zeerste, aangezien door niet-handhaving mijner desbetreffende bepalingen de aardappelvoorziening voor het eind van het seizoen in groot gevaar wordt gebracht. Ik vestig er daarom nogmaals uitdrukkelijk uwe aandacht op. dat alle in ons land aanwezige aardappelen ter beschikking moeten worden gehouden van de regeering.”

Arnhemsche Courant, d.d. 26-04-1918

Werden de aardappels niet ingeleverd, dan kwam de overheid ze wel halen. Al dezelfde dag kon men o.a. in de Delftsche Courant lezen dat bij een controle door de rijkscommissaris en een controleur van de aardappelvereniging in Ruurlo 10 wagons aardappelen bij de boeren in beslag waren genomen. De aardappelen waren op alle mogelijkheden verstopt en aantal boeren kregen een proces-verbaal omdat zij de aardappels voor het vee kookten. Ook werd er nog achtergehouden rogge in beslag genomen. Een maand later onderschepte de Ruurlose marechaussee 40 pond harde zeep die waarschijnlijk voor de smokkel was bestemd. Ook hier werd een boete van 50 gulden geëist.[3]

Een oplossing voor het gebrek aan vlees werd gezocht in de eenheidsworst die bestond uit rundvlees, varkensvlees en smaakmakers als zout, kruiden en suiker. Het vlees werd gerantsoeneerd en per week was er 100 gram per Nederlander beschikbaar tegen een maximumprijs van 25 cent. Om de schaarste aan vlees tegen te gaan, voerde Posthuma in 1918 ook de Slachtwet in, die een slachtverbod mogelijk maakte. In de zomer was het gebrek aan voldoende vlees dusdanig groot dat het nieuws was als er wél kon worden geslacht:

“Door noodslachting van een koe en een vet kalf konden de vorige week bij slager Wijveld de inwoners van Ruurlo nog een stukje vleesch bekomen. Voor vele huismoeders was dit weer een uitkomst. Naar men vertelt, zou van de week een varken uitgepond worden. Als dit zoo mag wezen, is dit een ‘buitenkansje, daar varkensvleesch tot de zeldzaamheden behoort. — Maandag was het aan de Exportslagerij van Amos een drukte van belang; er moesten ongeveer 25 koeien geslacht worden voor de eenheidsworst; enkele er van zagen er nog al goed uit, maar de meeste waren zoo mager, dat men bij zichzelven afvraagt: waarom moeten nu zulke beesten geslacht worden?

De Volksvriend, d.d. 18-07-1918

Door al deze impopulaire maatregelen kwam Posthuma, hoewel al demissionair, onder vuur te liggen door de bevolking. Zijn positie werd er niet beter op toen hij te midden van deze crisis, op vakantie ging naar Ruurlo. Diverse kranten spraken hier schande van want er ging her en der van alles mis met de distributie van voedsel. Zo kon het gebeuren dat voedsel wegrotte omdat het te lang in opslag bleef liggen en kwam het niet aan bij de hongerige bevolking. Posthuma kreeg in Ruurlo bezoek van de Nederlandse Bond van Paardenslagers en Paardenvleeshouwers. De bond wees de minister erop dat zijn maatregelen niets uithaalden omdat zij aan alle kanten werden omzeild. De zaken die de regels volgden, waren al maanden gesloten, terwijl gelegenheidslagers het vlees ver boven de door de minister gestelde maximumprijs verkochten. Ook het sociaal-democratisch weekblad De Tribune had de nodige kritiek:

“Minister Posthuma heeft in het van melk en honing overvloeiende Ruurlo, onder het verorberen van een malsch biefstukje, blijkbaar met ons te doen gekregen. Mogelijk is ’t ook dat hij zijn eigenaardige manier weer eens toepast om het weinige dat er is nog weer met iets te verminderen, nl. door er een maximumprijs op te stellen of den bestaanden maximumprijs te verlagen — in beide gevallen ‘verdwijnt’ het artikel dan, oogenblikkelijk van de markt. Hoe dit zij, minister Posthuma heeft den prijs van vet kalfsvleesch van 2 gulden gebracht op 1 gulden. Dus zal het met het onsje kalfsvleesch in de zooveel weken nu ook wel gedaan zijn.

Overigens maakt minister Posthuma het zelf ook niet zoo goed meer als vroeger. Hij is nu al een dag of veertien in Ruurlo en heeft er nog maar één onderkin bijgekregen, en niet eens een erg vette.”

De Tribune, d.d. 26-08-1918

Gelukkig voor de hongerige Nederlands kwam het einde van de oorlog in zicht. In de zomer van 1918 werd Oostenrijk-Hongarije oorlogsmoe en raakte intern enorm verdeeld. De Slavische staten, die onder het bewind van de Oostenrijkse keizer stonden, werden onafhankelijk en nadat ook Hongarije zich afscheidde, was er van het grote Oostenrijkse keizerrijk niet veel meer over. De Duitse generaals beseften de oorlog voor hen verloren was. Toch zou het nog tot november 1918 duren voor de vrede werd getekend.

Minister Posthuma werd bij de verkiezingen van juli 1918 niet herkozen en vertrok in september naar de Achterhoek om zich in Ruurlo te vestigen. In juni 1943 werd hij in zijn huis in Vorden geliquideerd door het verzet vanwege zijn banden met de bezetter. Hij werd in Ruurlo begraven.

  • [1] Arnhemsche courant, d.d. 23-01-1918 en Nieuwe Apeldoornsche courant, d.d. 24-01-1918.
  • [2] De Volksvriend, d.d. 07-03-1918.
  • [3] De Volksvriend, d.d. 23-05-1918.

 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *