Toets "Enter" om naar de inhoud te gaan

Jan Draad

Op 25 maart 2014 meldde het Belgische journaal dat de Dienst voor de opruiming en vernietiging van ontploffingstuigen (DOVO), stopt met het opruimen van explosieven in een weiland in de buurt van Passendale (Vlaanderen). De DOVO had daar in een maand 771 projectielen uit de Eerste Wereldoorlog uit de grond gehaald. Het bericht toont nog maar eens aan dat honderd jaar na de Eerste Wereldoorlog de gevolgen van de strijd nog altijd actueel zijn. Nederland bleef neutraal, maar omringd door drie oorlogvoerende landen is het niet verwonderlijk dat ook in Nederland de gevolgen van de oorlog werden gevoeld. Ook in een klein dorp als Ruurlo.

Zo kan men in de kolom “Berichten uit de Berkelstreek” het volgende lezen:

“Bij Kon. Besluit is ongegrond verklaard het beroep van J. F. Draad, onderwijzer aan de openbare lagere school te Ruurlo, tegen het besluit van Ged. Staten van Gelderland van 1 December 1914, waarbij is goedgekeurd het besluit van den gemeenteraad van Ruurlo van 11 November te voren, onder meer tot regeling van adressants jaarwedde gedurende zijn verblijf onder de wapenen. Zijne jaarwedde was voor het tijdvak van 1 Nov. 1914 – Mei 1915 met 1/4 verminderd.”

Graafschapbode, 8 oktober 1915

Een onderwijzer uit Ruurlo die een rechtzaak aanspant tegen de gemeenteraad omdat zij akkoord ging met een loonsverlaging van 50%, terwijl hij onder de wapenen verbleef. De onderwijzer krijgt geen gelijk, zelfs niet van de koningin. Wat is hier aan de hand?

De oorlog begint

Jan Frederik Draad wordt op 6 september 1886 geboren in Assen als zoon van kleermaker Jan Draad. Jan Frederik trouwt in 1912 met de 45-jarige Lydia Trago en in februari van dat jaar wordt hij samen met twee andere gegadigden voorgedragen als kandidaat voor de positie van “onderwijzer met verplichte hoofdakte” aan de Dorpsschool te Ruurlo. Jan blijkt later dat jaar de gelukkige en het echtpaar Draad verhuist naar Ruurlo.

In augustus 1914 breekt de Eerste Wereldoorlog uit. In eerste instantie is iedereen, van wereldleider tot gewone burger, ervan overtuigd dat de oorlog voor de kerstdagen voorbij zou zijn. Duizenden avontuurlijke jonge mannen melden zich daarom in grote groepen maar wat graag aan voor het leger en marcheren vrolijk fluitend naar het front. Zoals in de inleiding al vermeld, blijft Nederland neutraal maar het zit wel tussen drie oorlogvoerende landen in. Het is dus van het grootste belang dat strategische plekken in Nederland worden beschermd. Op 31 juli besluit de Nederlandse regering om manschappen op te roepen voor de mobilisatie. De volgende dag, op 1 augustus, krijgen 200.000 Nederlandse mannen bericht dat zij per direct voor onbepaalde tijd huis en haard moesten verlaten. Dit zorgt voor allerlei praktische problemen: het openbaar vervoer, en dan vooral het treinverkeer, is dagenlang ontregeld omdat het geheel in dienst van het troepenvervoer komt te staan. Maar stelt u zich eens voor wat er gebeurt als zo’n grote groep ambtenaren, ambachtslui en werklieden ineens uit de samenleving wordt gehaald.

Zo worden er in Ruurlo twee onderwijzers opgeroepen voor de mobilisatie: de 28-jarige Jan Draad, onderwijzer aan de openbare lagere school en J. Enklaar, leraar aan de school in de Veldhoek. Nu zij plotseling wegvallen, is er een acuut lerarentekort en in oktober 1914 buig de gemeenteraad zich over de vraag of er extra leraren moeten worden aangesteld. Uit de reactie van de gemeenteraad blijkt dat ook zij menen dat het met die hele oorlog niet zo’n vaart zal lopen. De lessen worden in eerste instantie overgenomen door de achtergebleven leraren. Ook subsidie voor een Comité Belgische Vluchtelingen acht de gemeenteraad niet nodig. Het raadslid Meulenveld meent zelfs dat die hele steunbeweging “een enigszins ziekelijk karakter draagt.”

Op zoek naar oplossingen

Als blijkt dat de oorlog toch langer gaat duren dan gedacht, verandert de optimistische houding en wordt de situatie toch zorgelijker. De twee schoolhoofden, Kerst Zwart en Th. F. Both, melden dat de tijdelijke oplossing voor het lerarentekort niet meer volstaat. Zij vragen of de gemeente geld beschikbaar wil stellen zodat er twee tijdelijke leraressen aangesteld kunnen worden. De gemeenteraad wijst het niet meteen af. Men erkent dat het vreemd is dat de oudste leerlingen (Draad was hoofdonderwijzer) nu het minste onderwijs ontvangen en de jongste leerlingen het meest. Bovendien hebben andere gemeenten ook tijdelijke leerkrachten aangesteld. Het raadslid Hesselink stelt voor om de kinderen die per 1 april zouden worden aangenomen tot 1 augustus thuis te laten.

In november 1914 besluit de gemeenteraad  om gemeenteambtenaren die onder de wapenen waren te korten op hun salaris. Van 1 augustus tot 1 november 1914 kregen zij nog het volledige salaris uitbetaald, maar van 1 november tot 1 mei 1915 zullen ze worden gekort. Daarbij maakt men onderscheid tussen getrouwde en ongetrouwde mannen en het komt erop neer dat de getrouwde Jan Draad per 1 november een kwart van zijn salaris verliest en de ongetrouwde J. Enklaar maar liefst de helft. Bij de vergadering op 4 januari 1915 wordt duidelijk dat Gedeputeerde Staten het Ruurlose besluit heeft goedgekeurd.

In april 1915 ontvangt de gemeenteraad een brief van Gedeputeerde Staten. Jan Draad heeft de koningin aangeschreven in verband met de vermindering van zijn salaris en Gedeputeerde Staten wil graag van de gemeenteraad weten wat hun mening is in de kwestie. De gemeenteraad blijft bij het standpunt dat de getroffen regeling billijk is, want de opgeroepen mannen krijgen kost, kleding en inwoning al vergoed door de regering. Dit betekent in het geval van de twee Ruurlose onderwijzers dat zij in feite een dubbel inkomen genieten en dat is nou ook weer niet nodig, vindt de overheid. De mobilisatievergoeding is een soort compensatie voor het verlies van salaris – een leraar kan immers geen les geven terwijl hij onder de wapenen is – maar het is vaak maar een karige tegemoetkoming. Velen protesteren daarom via de rechtbank tegen deze maatregel, de meesten tevergeefs.

Naar de rechtbank

De zaak komt op 8 september 1915 voor en de Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond. De hele kwestie wordt uiteindelijk beslist via een koninklijk besluit, waarin men kan lezen “… dat de appellant in beroep aanvoert, dat deze regeling niet billijk is, wijl de tijd dien hij onder de wapenen is, in vele opzichten schadelijk voor hem is;”.

In de uitspraak wordt niet vermeld welke schade Draad dan precies heeft ondervonden, maar het leven van iemand die onder de wapenen was, zal in schril contrast hebben gestaan met het leven van een hoofdonderwijzer op het platteland. Militairen worden vaak ondergebracht bij burgers of in grote gebouwen als fabriekshallen of scholen, waar men militaire oefeningen hield en militaire vaardigheden bijhield. Toch is de grootste vijand van het Nederlandse leger de verveling.

Draad voert als tweede reden van zijn protest aan dat er tijdens zijn afwezigheid geen tijdelijke leerkracht is aangesteld en de gemeente dus niet voor extra uitgaven is komen te staan. Helaas voor Draad wordt zijn protest, en dat van vele andere gemobiliseerde leraren, ongegrond verklaard.

Hoe het afliep

Vanaf 1915 gaan er steeds meer stemmen op om de opgeroepen soldaten weer naar huis te sturen. De Nederlandse regering en met name opperbevelhebber Snijders wilden daar echter niets van weten. Nederland ligt zo ingeklemd dat een verzwakking van de strijdkrachten levensgevaarlijk kan zijn. In de loop van 1915 komt men tot het besluit dat de mobilisatie volledig gehandhaafd blijft, maar verlofregelingen worden versoepeld en soldaten die al voor een langere periode zijn opgeroepen worden vervangen door nieuwe recruten. Zij blijven echter wel oproepbaar. `

De Ruurlose leraren zijn het grootste deel van 1915 nog onder de wapenen. In juni 1915 verzoekt Ruurlo de arrondissementschoolopziener om medewerking bij de terugkeer van de gemobiliseerde onderwijzers, maar uit het verslag van de raadsvergadering van 29 oktober 1915 blijkt dat de onderwijzers dan nog niet terug zijn. Men constateert dat de regeling zoals die getroffen werd op 23 april ten einde loopt en dat er een nieuwe regeling getroffen moet worden. Uit de notulen blijkt ook dat beide onderwijzers onderofficieren zijn en de raad beslist dat zij vanaf 1 november 1915 het gebruikelijke onderwijzerssalaris betaald krijgen, verminderd met de vergoeding die zij krijgen van de overheid.

Wanneer Jan Draad weer terugkomt in Ruurlo is niet precies bekend, maar zeker is dat tijdens de raadsvergadering van 7 augustus 1916 de Ruurlose gemeenteraad zich buigt over zijn verzoek om hem eervol ontslag te verlenen in verband met zijn benoeming tot onderwijzer in Rijswijk. Dit wordt hem verleend en in november 1916 beëindigt Jan Draad zijn werkzaamheden als onderwijzer te Ruurlo.

Bronnen

  • “Nederland mobiliseert”, W. Klinkers, Nederland en de Eerste Wereldoorlog, thematijdschrift maart 2014.
  • Notulen van de gemeenteraad1826-1941, band 19 (1904-1918)
  • Diverse uitgaven Graafschapbode 1915.

Oorspronkelijk verschenen in Onder d’n Kroezeboom 2014, nr. 3.

 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *